Bijenkorfvlechter

Honing, waarschijnlijk de eerste zoetstof ter wereld, werd in de Antieke en in de Middeleeuwse keuken in plaats van suiker gebruikt.

Dat de Germanen van honing “mede” brouwden – een van de voorlopers van ons huidige bier – is algemeen bekend. Weinigen weten dat ze ook bijen hielden en niet alleen op wilde honing waren aangewezen.

De oudst-bekende bijenwoning, gemaakt van een stuk beukenstam, compleet met vlieggaten en een afneembaar deksel werd ongeveer vijftig jaar na Christus gemaakt. Pas later kwamen de korven, opgebouwd uit ringen van roggestro, dat met de vleugel is gedorst, omstrengeld met spaans riet of met gespleten braamstruiktakken, ontdaan van doornen en van merg.

Bijenkorfvlechters kwamen in Nederland vooral voor in het oosten van het land. De vlechters waren vooral in de winter actief, omdat er dan minder ander werk was. De materialen die de vlechter verwerkte in zijn korf zijn:

* Stro (dikwijls langstrorogge dat overbleef na het dorsen)
* Buntgras
* Speciaal behandelde bramenstengels
* Spaans riet (rotan of pitriet)

Het ambacht van bijenkorfvlechter kom je in de eenentwintigste eeuw niet meer als beroep tegen, het is als beroep uitgestorven. Het speciale langstrorogge wordt ook niet meer commercieel verbouwd.

Het beroep van bijenkorfvlechter toont gelijkenissen met dat van stoelenmatter.