Contrabasbouwer

De bouwer van contrabassen, zelf altist, verwerkt voor het bovenblad uitgezocht, sparrenhout, afkomstig uit de Balkan. De zijkanten ? de krans -, het onderblad, de hals met krul en de kam worden van esdoorn gemaakt, het toetsenblad en het staartstuk van ebbenhout.

De krans krijgt zijn model door het buigen van het natgemaakte hout over een van binnenuit verhit rondijzer. De bomen die het hout voor de bladen leveren zijn dikker dan hun breedte, maar omdat het hart van de stam onbruikbaar is, worden de bladen ? eerst ruim vijf centimeter dik ? vó³² het bewerken, door lijmen in de lengte, uit twee helften samengesteld.

Zij krijgen hun welving niet door vervorming maar door het wegwerken van overtollig hout met gutsen, schaafjes en schuurpapier. Ze worden als het ware gebeeldhouwd, waarbij wel dertig kilo hout wordt weggestoken.

De samenvoeging van de delen van de bas gebeurt alleen met lijm.

Na het gronderen met gekleurde harsen volgt beurtelings het schuren en het lakken ? een kleine twintig keer ? en dan het politoeren. De lak moet stevig en toch soepel zijn maar heeft geen mysterieuze invloed op de klank van het gerede instrument.